Archeologisch onderzoek in "De Vrijheid"

Opgraving De Vrijheid

Voorlopige resultaten

De opgravingen in de Vrijheid zijn volop aan de gang. Nieuwe sleuven worden opengelegd, andere worden afgewerkt. Hieronder stellen de archeologen telkens de voorlopige resultaten per afgewerkte zone kort voor.

Cypriaan de Rorestraat

Het kerkhof tusschen de twee kerken in de Vrijheid

Het gebied van de Rorestraat maakt integraal deel uit van het grote kerkhof tussen de Sint-Hermeskerk en de Sint-Martinuskerk. Zoals het woord zegt, gaat het om een (gewijde) ruimte rond de kerk. In tegenstelling tot het huidig begrip als begraafplaats kende een kerkhof in de middeleeuwen een veelzijdig gebruik. Zo hield men er bijvoorbeeld ook markten en kermissen. Een kerkhof beschikt steeds over een duidelijke fysieke begrenzing, als scheiding tussen de profane en sacrale wereld. Het kerkhof in de Vrijheid is afgebakend door een gracht of muur (zie onder). Maar wie lag daar nu begraven? Leden van vooraanstaande families en geestelijken kregen doorgaans hun eeuwige rustplaats binnen één van de kerken. De meerderheid van de bevolking werd echter op het kerkhof begraven, gewoonlijk vrij anoniem zonder opschrift of grafsteen. Opvallend is de hoge densiteit aan begravingen in de Rorestraat. De archeologen troffen op een relatief beperkte oppervlakte meer dan 400 graven aan. Het gaat veelal om zogenaamde kistbegravingen. De graven zijn volgens de christelijke traditie west-oost georiënteerd en bestaan meestal uit houten kisten die de stoffelijke resten bevatten. Het hout is dikwijls reeds vergaan maar de skeletten zijn goed bewaard. In de Rorestraat zijn de oudste graven tot de 14de eeuw terug te voeren. De afwezigheid van oudere begravingen kan betekenen dat voordien de begraafplaats kleiner was en zowel de Sint-Hermeskerk als de Sint-Martinuskerk elk over een afzonderlijk kerkhof beschikten dat in een latere fase evolueerde naar een aaneengesloten begraafplaats.

Op  het einde van de 18de eeuw wordt door de Oostenrijkse keizer Jozef II een verbod uitgevaardigd om nog te begraven in kerken en kerkhoven binnen de stadsgrenzen. Te Ronse neemt men in 1821 de begraafplaats langs de Engelsenlaan in gebruik “en dan wierd verbod gedaen van nog iemand op het kerkhof tusschen de twee kerken te begraeven”. In de loop van de 19de eeuw volgt de sloop van de kerkhofmuur en verdwijnt de begraafplaats na eeuwen uit het stadsbeeld.

Na de opgraving worden de menselijke resten verder onderzocht. Een fysisch antropoloog kan op basis van de beenderen de sterfteleeftijd, het geslacht, de lichaamslengte, bepaalde erfelijke kenmerken, de gezondheidstoestand, hygiëne en voedingsgewoontes van een overledene te weten komen. Soms kan zelfs de doodsoorzaak en/of de identiteit van de persoon achterhaald worden.

Door gegevens over individuen te verzamelen en samen te brengen, krijgen we een zicht op de sociale, economische, ecologische, historische en culturele facetten van een bevolkingsgroep. Zo kan bijvoorbeeld gereconstrueerd worden hoe oud men werd, hoe hoog de kindersterfte was, hoeveel mannen en vrouwen er samenleefden, wat de gemiddelde lichaamsgrootte was, hoe men er heeft uitgezien, hoe de gezondheidstoestand was, of er epidemieën waren enz. Op die manier komen we meer te weten over het leven in Ronse in de (post-)middeleeuwen.

Sporen uit de volle middeleeuwen

Op de grens met de Rorestraat en de Kleine Markt kwamen onder het kerkhof verschillende oudere sporen aan het licht. Enkele vondsten wijzen erop dat de sporen uit de 12de eeuw stammen. Het gaat om kuilen, grachtjes en paalsporen die waarschijnlijk toebehoren aan enkele houten gebouwen vlakbij de toen romaanse Sint-Hermeskerk. Ze getuigen van de vroegste fases van bewoning in de Vrijheid. Deze vondsten doen vermoeden dat in de beginfase van de Vrijheid de inrichting en bewoning anders georganiseerd was dan hetgeen we kennen van het voornamelijk postmiddeleeuwse cartografisch beeldmateriaal. Samen met de volmiddeleeuwse sporen onder de parking achter het stadhuis (zie onder) krijgen we zo een beeld op dit minder gekend deel van de geschiedenis van de Vrijheid.

Sint-Martensplein en Sint-Martensstraat

Van oktober 2018 tot maart 2019 onderzochten de archeologen het Sint-Martensplein en de Sint-Martensstraat (gedeelte tussen parking achter het stadhuis en Franklin Rooseveltplein).

Kerkhofgrachten en kerkhofmuur

In het westelijk deel van het Sint-Martensplein werd een omvangrijke laatmiddeleeuwse gracht (14de-15de eeuw) aangesneden. Deze loopt door onder het gebouwblok tussen de Sint-Martensstraat en de Cypriaan de Rorestraat. Vermoedelijk gaat het om dezelfde gracht als op de Kleine Markt (zie onder) en is deze te interpreteren als kerkhofgracht. De gracht maakt ter hoogte van ‘Eet-café de Vrijheid’ een rechte hoek en volgt het verder verloop van de Sint-Martensstraat richting het oosten. Ter hoogte van de parking achter het stadhuis buigt de gracht lichtjes af naar het noordoosten. De kerkhofgracht is meerdere keren opgevuld en opnieuw uitgegraven maar volgt telkens eenzelfde traject rond het kerkhof. De laatste ‘fase’ van de gracht is duidelijk te herkennen doordat de opvulling uit enorme hoeveelheden verbrand (bouw)materiaal bestaat: hout, lemen wanden, tegels, daktegels…, waarschijnlijk afkomstig van één van de grote stadsbranden die Ronse in de loop van de 15de-16de eeuw gekend heeft. Het is in deze periode dat men de gracht definitief dempt en vervangt door een stenen kerkhofmuur. Deze muur volgt eenzelfde verloop rond het kerkhof als de oudere grachten. De muur loopt onder La cave de Clotaire, het vroegere grafdelvershuisje dat tegen de kerkhofmuur aangebouwd stond. Deze muur is volledig in baksteen opgetrokken en is vermoedelijk te linken aan de opgegraven muren op de Kleine Markt (zie onder). Ter hoogte van Baguetelle zijn de kerkhofgracht en -muur onderbroken, het gaat om de zuidelijke toegang tot het kerkhof. Het lijkt er dus op dat de contouren van het grote kerkhof tussen de Sint-Hermes- en Sint-Martinuskerk waarschijnlijk reeds sinds de 13de-14de eeuw kwam vast te liggen en tot de 19de eeuw behouden bleef in het stadsbeeld.

Langs de zuidelijke zijde van de Passage (de oude Sint-Martinuskerk) zijn enkele kleinere grachten aanwezig. Ze zijn ouder dan de laatmiddeleeuwse kerkhofgracht, een precieze datering is momenteel nog niet duidelijk. Mogelijk bakenden ze een ouder en kleiner kerkhof af rondom de Sint-Martinuskerk.

Begravingen

Het gebied binnen de kerkhofgracht/-muur vormde de begraafplaats van de Vrijheid. Bij de meeste begravingen gebruikte men een houten kist. Bij enkele graven op het Sint-Martensplein was echter geen kist aanwezig maar groef men een kuil in de vorm van het lichaam van de overledene, zogenaamde antropomorfe graven. Dit type van begraving komt het meest voor in de 10de-12de eeuw.

Aan de voet van de toren van de vroegere Sint-Martinuskerk (Passage) ontdekten de archeologen een ossuarium of een knekelhuisje. Dit is een gebouwtje op het kerkhof waar men menselijke beenderen bewaarde die men aantrof bij het ruimen of delven van (nieuwe) graven.

Buiten het kerkhof

Buiten het kerkhof sluiten de aangetroffen sporen aan bij hetgeen reeds in andere zones is vastgesteld. Er is een hele opeenstapeling van afwisselend verharde straatniveaus, brandlagen en ophogingspakketten aanwezig, vanaf de 15de eeuw. Onder de oudste straatniveaus bevinden zich tal van kuilen, mogelijk ontginningskuilen die men nadien opvulde met afval, deze dateren doorgaans in de 13de-14de eeuw, ze getuigen van een andere indeling van de Vrijheid.

In de Sint-Martensstraat, ter hoogte van het Franklin Rooseveltplein, gingen de archeologen op zoek naar de begrenzing van de Vrijheid. Volgens de historische bronnen was de Vrijheid in de middeleeuwen afgebakend door een gracht (des hayes et de fosses), de ruimtelijke en juridische grens tussen de Vrijheid en ‘stad’ Ronse. Deze begrenzing is tijdens de archeologische opgraving echter niet aan het licht gekomen. Het is mogelijk dat de gracht verder op het Franklin Rooseveltplein gelegen is, anderzijds is het niet uit te sluiten dat er op deze locatie een onderbreking in de gracht was omdat deze straat van oudsher een toegang tot de Vrijheid was (zie Schipstraat).

Ten oosten van de oude Sint-Martinuskerk werd het zuidelijk deel van het verdwenen koor vrij gelegd. Eerder werd al het noordelijke deel opgegraven (zie onder). De koormuren waren aangebouwd tegen de 17de-eeuwse pastorie van de Sint-Martinusparochie, waarvan de archeologen de funderingen konden vrij leggen. Deze pastorie werd in de 19de eeuw afgebroken en in 1886 vervangen door een nieuwe pastorie (huidige Sint-Martinusstraat 25).

Priestersstraat en parking achter het stadhuis

Van augustus tot oktober focuste het archeologisch onderzoek zich op de zone net ten oosten van het Albertpark: het deel van de Priestersstraat langs de zuidelijke zijde van het koor van de Sint-Hermesbasiliek, de Sint-Martensstraat langs het Albertpark en een gedeelte van de parking achter het stadhuis.

Kerkhof

Langs de Sint-Hermesbasiliek troffen de archeologen een complexe opeenvolging van lagen aan. De oudste sporen zijn verschillende grachten, het gaat om omvangrijke uitgravingen tot soms 2,5m onder de huidige straat. Ze volgen elkaar chronologisch op en hebben steeds een gelijkaardig traject van de noordoostelijke hoek van het Albertpark, langs de zuidelijke zijde van het koor van de Sint-Hermesbasiliek in de richting van de Molenbeek. Wanneer ze exact gegraven zijn, is voorlopig nog onduidelijk. Waarschijnlijk werden ze ten laatste in de 14de-15de eeuw opgevuld. De archeologen interpreteren ze momenteel als kerkhofgrachten die het domein (kerkhof) rond de vroegere kapittelkerk (de huidige Sint-Hermesbasiliek) begrensden. Ze zijn ongetwijfeld in verband te brengen met de verschillende romaanse en gotische bouwfasen van de Sint-Hermesbasiliek. Zoals reeds vastgesteld werd op de Kleine Markt (zie onder), dempt men op een bepaald moment deze kerkhofgrachten, vervangt men ze door een (bakstenen) muur en legt men buiten het kerkhof verharde straatniveaus aan. Dit proces voltrok zich waarschijnlijk in de 15de-16de eeuw. De kerkhofmuur volgt min of meer hetzelfde tracé als de voorgaande grachten en is enkele keren verbouwd in de postmiddeleeuwse periode (16de-19de eeuw). Minstens één fase van de muur sluit aan op de zuidelijke zijde van de Sint-Hermesbasiliek. In deze zone van de Priestersstraat werden ook verschillende begravingen aangetroffen. Ze zijn te relateren aan de verschillende fases van de kerkhofgrachten en -muren. Een grondige studie ervan zal een bijdrage leveren aan de chronologie en een beter begrip van deze zone.

Dekenije

In de Sint-Martensstraat langs het Albertpark zijn de archeologische sporen van een andere aard. Het gaat om de zone net ten oosten van het kerkhof (Albertpark). De functie van dit gebied is minder duidelijk. Zoals te zien is in het Land- en kaartboek van 1684 maakt het deel uit van het domein van de dekenij, die zich sinds de 12de eeuw langs de Priestersstraat (t.h.v. nr. 22-24) bevond. De oudste sporen in de Sint-Martensstraat bestaan uit tal van kuilen, uitgegraven in de natuurlijke bodem. Mogelijk gaat het om ontginningskuilen die in tweede instantie met afval zijn gevuld. De meeste kuilen dateren uit de late middeleeuwen (14de-16de eeuw), een aantal ook uit de vroegmoderne periode (16de-17de eeuw). In de 18de-19de eeuw wordt het gebied vooral opgehoogd en verder opgedeeld door middel van perceelsmuren. Deze muren bevinden zich haaks op een bakstenen muur vlak naast de huidige keermuur langs het Albertpark. Waarschijnlijk betreft het hier opnieuw (een 18de/19de-eeuwse fase van) de kerkhofmuur.

Sint martens kercke

Deze kerkhofmuur loopt verder richting de Passage, de vroegere Sint-Martinuskerk. Ter hoogte van de huidige parking vonden de archeologen het verdwenen koor van de kerk. Deze bouwfase dateert uit het begin van de 19de eeuw (1829). De geschiedenis van het gebouw gaat echter minstens terug tot het midden van de 11de eeuw toen door de kanunniken twee hulpkerken voor de toenmalige kapittelkerk (huidige Sint-Hermesbasiliek) werden opgericht, respectievelijk ten noorden de Sint-Pieterskerk en ten zuiden de Sint-Martinuskerk. Deze laatste fungeerde als parochiekerk voor de opkomende handelsnederzetting rond de Grote Markt die in 1240 een stadskeure zal verkrijgen. Het patrocinium van de kerk zelf wijst op een zeer oude stichting, mogelijk van een devotiekapel uit de 7de eeuw. Van de 11de-eeuwse, romaanse fase bleef bovengronds niets bewaard. In de 15de eeuw vernieuwt men de kerk tot een tweebeukige hallenkerk met een vierkante  toren langs de westelijke zijde. Als gevolg van de bevolkingstoename in de stad op het einde van de 18de eeuw breidde men de kerk uit met een derde zuidbeuk in 1807 en een imposant transept en onderkelderd koor in 1829. De archeologen konden het noordelijk deel van het transept en koor volledig in kaart brengen. Zo werd ook een zicht verkregen op de merkwaardige opbouw van de kelder onder het koor met niet alleen een oostelijke absis maar ook een westelijke absis. Eerder onderzoek van Albert Cambier toonde aan dat deze ruimte qua opbouw sterke gelijkenissen had met de crypten van enkele kerken uit Zuid-Italië. Onder deze muren kwamen nog een aantal interessante sporen aan het licht. Het betreft onder meer een ijzerzandstenen muur, die misschien wel in verband te brengen is met de romaanse of 15de-eeuwse fase van de kerk. Voorts was ook een opmerkelijke kuil uit de eerste helft van de 16de eeuw aanwezig. De onderste vulling van de kuil bestond uit een pakket van vensterglas. Het lijkt om gebrandschilderd glas in lood te gaan, dergelijke vondsten worden doorgaans aan kerken gelinkt. Op verschillende stukken zijn geschilderde figuren en letters in gotisch schrift aanwezig. Gezien de datering van de kuil is het niet uit te sluiten dat ook hier een connectie bestaat met de middeleeuwse fases van de Sint-Martinuskerk.

Sporen uit de volle middeleeuwen

Op de parking achter het stadhuis werd de opgraving bemoeilijkt door de aanwezigheid van enkele recent opgevulde kelders wat voor instabiele putwanden zorgde. Desalniettemin konden de archeologen enkele waardevolle waarnemingen doen. Dit deel van het onderzoeksgebied werd in de postmiddeleeuwse periode sterk opgehoogd tot ca. 2-2,5m, voornamelijk in de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Het terrein helde dus oorspronkelijk veel sterker af vanaf de Sint-Martinuskerk richting het oosten. Onder deze ophogingslagen kwamen onder meer enkele laatmiddeleeuwse kuilen tevoorschijn. Min of meer centraal op de parking vonden de archeologen een cluster van oudere sporen, bestaande uit kuilen en paalsporen (plaatsen waar oorspronkelijk een houten paal van een gebouw stond). De archeologische vondsten hieruit dateren in de volle middeleeuwen (10de-12de eeuw). Het gaat voornamelijk om scherven in aardewerk van zogenaamde kogelpotten, deze gebruikte men onder andere om voedsel te bereiden. Het lijkt erop dat de archeologen een zone hebben aangesneden met sporen van een of meerdere houten gebouwen uit de 10de-12de eeuw. Het is de eerste keer dat in dit gedeelte van de Vrijheid sporen uit de volle middeleeuwen zijn aangetroffen. Bij vroeger archeologisch onderzoek manifesteerden sporen uit deze periode zich voornamelijk in de omgeving van de huidige Sint-Hermesbasiliek. De aanwezigheid van deze sporen onder de parking achter het stadhuis opent perspectieven naar de vele vragen omtrent het ontstaan en evolutie van de Vrijheid in deze vroege periodes.

Schipstraat en Begijnhofstraat

Smalle straatjes…

Ondanks de smalle straatjes, boden de Begijnhofstraat en de Schipstraat toch heel wat potentieel. Beide straten zijn van oudsher gekend van de historische kaarten. De Schipstraat is vernoemd naar de herberg Het Schip ter hoogte van Café Centrum, de Begijnhofstraat (vroeger Bagijne- of Begijnestraatje) verwijst naar het vroegere begijnhof in de omgeving. Beiden verbinden de Kleine Markt met de Wijnstraat die de westelijke grens van de Vrijheid vormde. Op een kaart uit 1623 wordt de Wijnstraat als ‘Langhe greppe’ benoemd. Dit doet ter hoogte van de huidige Wijnstraat de aanwezigheid van een gracht vermoeden die de Vrijheid op deze locatie afbakende. De begrenzing van de Vrijheid wordt in 1315 immers omschreven als bestaande uit ‘des hayes et de fosses’ (hagen en grachten). Voorts zijn beide straatjes interessant voor de interpretatie en datering van de archeologische sporen die reeds op de Kleine Markt aanwezig waren, met name de straat- en pleinniveaus en de muren in ijzerzandsteen die mogelijk tot het begijnhof behoren.

Langhe greppe

In de Begijnhofstraat werd parallel met de Wijnstraat een omvangrijke gracht gevonden van minstens zes meter breed, de bodem van deze uitgraving lag op ongeveer 2,5 meter onder het huidige loopniveau. De opgevulde gracht loopt verder onder de oostelijke huizenrij langs de Wijnstraat. Wanneer de gracht exact gegraven werd, is voorlopig onduidelijk. Door het aangetroffen aardewerk weten de archeologen dat de gracht zeker in de 15de-16de eeuw – en mogelijk zelfs vroeger – reeds opgevuld was en uit het stadsbeeld verdween. Vermoedelijk gaat het hier om de ‘Langhe greppe’, de westelijke grens van de Vrijheid. In de Schipstraat, daarentegen, was deze gracht niet aanwezig. Mogelijk was er op deze plaats een onderbreking, misschien omdat de Schipstraat van bij de oprichting van de Vrijheid reeds als toegangsweg in gebruik was.

Straatniveaus en begijnhof

In de Schipstraat zijn dezelfde straatniveaus terug te vinden die ook op de Kleine Markt te zien waren. Opvallend zijn de weinige archeologische vondsten in deze lagen, hierdoor is het voorlopig niet mogelijk om de straatniveaus nauwkeurig te dateren. Naar analogie met de Kleine Markt zijn de oudste waarschijnlijk ook in de 15de-16de eeuw te plaatsen. Oudere sporen onder de straatniveaus zijn niet aanwezig. In de Begijnhofstraat wijken de straatniveaus enigszins af van de Kleine Markt en Schipstraat, ze zijn vermoedelijk deels recenter. Een mogelijke reden hiervoor is de aanwezigheid van het begijnhof in de late middeleeuwen (einde 14de tot einde 15de eeuw). Op de Kleine Markt zijn bij de opgraving immers enkele ijzerzandstenen muren aangetroffen die waarschijnlijk in verband te brengen zijn met het begijnhof. Onder de straatniveaus in de Begijnhofstraat zijn verschillende afvalkuilen aangetroffen die talrijke archeologische vondsten opleverden. Het materiaal lijkt eerder uit de 15de-16de eeuw afkomstig te zijn. Naast de grote hoeveelheden aardewerk en botmateriaal werd er eveneens veel leder aangetroffen, voornamelijk van schoeisel, en zelfs een fraaie metalen medaillonsluiting gevonden. Dit voorwerp bevestigde men aan het uiteinde van een lederen heupriem. Het voorkwam dat het leder uitrafelde en het hield de riem op zijn plaats. Vaak droeg het ook een versiering. Op het exemplaar van Ronse zijn vermoedelijk de letters S en M te herkennen, mogelijk de afkorting van Sancta Maria. Het is niet uit te sluiten dat deze kuilen te linken zijn aan het begijnhof en dat dit gebied deel uitmaakte van het areaal van het voormalige begijnhof. Dit zou kunnen betekenen dat de Begijnhofstraat pas aangelegd werd na het dempen van de gracht en na het verdwijnen van het begijnhof uit het stadsbeeld.

Kaatsspelplein, Kleine Markt en Sint-Martensstraat

Binnen en buiten het kerkhof

Het onderzochte gebied is op te delen in twee zones, van elkaar gescheiden door de kerkhofmuur. Deze loopt van de noordwestelijke hoek van de Sint-Hermesbasiliek tot aan café Sint-Hermes. De muur dateert vermoedelijk uit de 15de-16de eeuw en is opgebouwd uit ijzerzandsteen en baksteen. Ter hoogte van café Sint-Hermes bevindt zich waarschijnlijk een van de toegangen tot het kerkhof. Onder deze muur kwamen verschillende grachten (14de-15de eeuw) aan het licht, vermoedelijk de voorlopers van de kerkhofmuur die het domein rond de Sint-Hermesbasiliek afbakenden. Het gebied ten zuidoosten van de kerkhofmuur, voor de ingang van de kerk, heeft dienst gedaan als begraafplaats. Er zijn een viertal begravingen aangetroffen. De skeletten tonen aan dat het om kindergraven gaat. Ter hoogte van de toegangstrap tot de Sint-Hermesbasiliek ontdekten de archeologen een aantal klokkenovens. De klokken werden ter plaatse gegoten en nadien in de toren van de Sint-Hermesbasiliek gehesen. Het maken van dergelijke bronzen klokken gebeurde doorgaans vlakbij of soms zelfs in het gebouw waarvoor ze bestemd waren. Het onvermijdelijke brandgevaar dat het smelten van het brons en het verhitten van de oven met zich meebracht, woog niet op tegen de logistieke problemen van het transport van de meestal loodzware klokken. Een veel gebruikte productietechniek is die van de cire perdue, ofwel verloren was. Er is verder onderzoek nodig om tot een precieze datering van de ovens van Ronse te komen.

Kapittelhuis

Op het Kaatsspelplein werden de funderingen van het kapittelhuis blootgelegd, de plaats waar het kapittel, dat de Vrijheid bestuurde, resideerde. Het gebouw maakte deel uit van het kloosterpand ten noorden van de Sint-Hermesbasiliek. Het kapittelhuis dateert van oorsprong uit de 12de eeuw maar de aangetroffen muren behoren tot de 17de-eeuwse fase van het gebouw. De voormalige buitengevel van het kapittelhuis wordt verwerkt in het vernieuwde uitzicht van het Kaatsspelplein.

Middeleeuwse straten

Op het resterende deel van het Kaatsspelplein, de Kleine Markt en de Sint-Martensstraat is een hele opeenstapeling van straatniveaus, ophogingslagen en brandlagen uit de periode van de 15de tot de 18de eeuw aanwezig. Vanaf de 15de eeuw legde men er straten en pleinen aan en kreeg het gebied vermoedelijk min of meer de indeling en het uitzicht zoals we ze kennen van de historische kaarten. Telkens een bepaald straatniveau in onbruik geraakte, hoogde men het niveau op en voorzag men een nieuwe straatverharding die telkens voornamelijk uit ijzerzandstenen bestond. Tussen deze stenen vinden de archeologen tal van ‘verloren voorwerpen’ uit metaal terug: munten, rekenpenningen, pelgrimsinsignes, allerhande kleine gebruiksvoorwerpen… Ook heel veel huishoudelijk afval kwam op de straten terecht, zoals potscherven, glasscherven, etensresten enz. De brandlagen bevatten enorme hoeveelheden verbrand bouwmateriaal. Ze zijn in relatie te brengen met de verschillende stadsbranden die Ronse teisterden van de 15de tot de 18de eeuw. Waarschijnlijk nivelleerde men de verwoeste gebouwen en spreidde men deze verbrande resten uit over een grotere oppervlakte.

Vlakbij de kerkhofmuur zijn op de Kleine Markt drie dierenbegravingen aangetroffen, vermoedelijk te dateren in de 15de-16de eeuw. Het gaat om twee honden en een varken. De dieren werden duidelijk met zorg aan de grond toevertrouwd. Opvallend is dat deze begravingen zich vlakbij maar wel net buiten het kerkhof situeren. Hoewel een symbolische betekenis dus niet uit te sluiten is, kan de locatie van de grafkuilen ook puur praktisch zijn omdat er bijvoorbeeld langs de kerkhofmuur ruimte was om het dier te begraven.

Begijnhof

Onder de straatniveaus in het noordwestelijk gedeelte van de Kleine Markt kwamen meerdere muren in ijzerzandsteen tevoorschijn. Een van de muren was aan de binnenzijde voorzien van een tegelhaard. Deze muren zijn waarschijnlijk in verband te brengen met het begijnhof, een verwijzing hiernaar vinden we ook terug in de zogenaamde Begijnhofstraat, vlakbij de Kleine Markt. Volgens de historische bronnen bestond het begijnhof vanaf het einde van de 14de tot het einde van de 15de eeuw.

Oudere sporen

De oudste archeologische sporen in deze zone zijn verscheidene grachten en (afval?)kuilen. Deze gaan terug tot de 13de-14de eeuw. Ze dateren voor de aanleg van de straatniveaus en getuigen van een andere indeling en functie van dit deel van de Vrijheid. Verder onderzoek is nodig om hier een beter zicht op te krijgen.

Graven naar de oudste geschiedenis

In het centrum van Ronse wordt het gebied rond de kleine markt heraangelegd. Dit stadsdeel is het hart van De Vrijheid, een historisch kwartier dat teruggaat op een middeleeuwse heerlijkheid. Volgens de traditionele overlevering is deze terug te voeren tot de stichting van een religieuze nederzetting in de 7de eeuw n. Chr. door Amandus. De komst van de relieken van Sint-Hermes, patroonheilige van de geesteszieken, naar Ronse zorgde ervoor dat de Vrijheid vanaf de 10de eeuw tot een bedevaartsoord uitgroeide met een stedelijke kern rond de Kleine Markt.

Heraanleg De Vrijheid met respect voor het verleden

De plannen bestaan erin de Vrijheid te herwaarderen en opnieuw zichtbaar te maken in de stad. De heraanleg van het projectgebied en de rioleringswerken gebeuren in verschillende fases en hebben een aanzienlijke impact op het archeologisch erfgoed in De Vrijheid. In overleg met het stadsbestuur is gekozen om vóór de eigenlijke werken een onderzoek op te starten en de aanwezige archeologische waarden in kaart te brengen. Naar aanleiding van de resultaten van het vooronderzoek zijn een aantal maatregelen genomen om de weerslag van de werken op het bodemarchief te beperken en dit zoveel mogelijk in situ te bewaren. Voor een deel van de archeologische sporen binnen het projectgebied kan dit echter niet. Deze zullen worden opgegraven. Op 8 februari startten de opgravingen in de zone rondom de Kleine Markt.

Meer weten of meehelpen?

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je dan in op de nieuwsbrief van SOLVA : http://goo.gl/forms/3nkrKgZthw

Jouw archeologisch steentje bijdragen aan deze opgravingen? Dat kan! Schrijf je in als vrijwilliger : https://goo.gl/forms/t9eij7Nqy7tLjbiJ2

Sporen uit de Middeleeuwen en vroeger?

De historische en archeologische bronnen tonen het grote kennispotentieel aan van dit deel van Ronse, niet alleen voor de middeleeuwse periode maar ook voorgaande tijdvakken. De opgraving zal nieuwe inzichten bieden op de algemene ontwikkeling van De Vrijheid sinds de late middeleeuwen. Gezien de ligging van het projectgebied in de kern van De Vrijheid (Kleine Markt / Sint-Hermesbasiliek / Sint-Martinuskerk) is het daarenboven de verwachting dat ook sporen uit de vroege en volle middeleeuwen aangesneden worden. Dit opent uiteraard perspectieven voor het ontstaan, de genese en de evolutie van De Vrijheid en de voorgaande occupatie (religieuze nederzetting?). De opmerkelijke Romeinse vondsten bij eerder onderzoek ter hoogte van de Sint-Hermesbasiliek doen vermoeden dat ook op dit vlak nieuwe vraagstellingen te formuleren zijn. Binnen het projectgebied liggen bovendien mogelijkheden omtrent het aftoetsen en synthetiseren van het (soms fragmentarisch) eerdere archeologisch onderzoek en de historische bronnen.

SOLVA

De opgravingen in Ronse en het bijhorende onderzoek, gebeuren door SOLVA. SOLVA is het intergemeentelijk samenwerkingsverband voor streekontwikkeling. Sinds 2008 doet SOLVA ook het archeologisch onderzoek in kader van bouw- en ontwikkelingsprojecten voor 22 steden en gemeenten in het zuiden van Oost-Vlaanderen. SOLVA brengt zo het rijke verleden van de regio in kaart en vertaalt het naar vandaag.

FAQ – Veelgestelde vragen

Wisten jullie dat hier archeologische sporen in de grond zitten?

Vooraleer van start te gaan met een opgraving bekijken de archeologen cartografische en historische bronnen. Deze informatie combineren ze dan met resultaten van nabijgelegen opgravingen. Voor een aantal sites is ook een beroep te doen op specifieke onderzoeken zoals grondboringen en geofysische metingen. Bij dit laatste speurt men de ondergrond af naar oude funderingen en andere sporen aan de hand van specifieke meettoestellen (bv. grondradar). Soms worden ook proefputten of proefsleuven aangelegd om te zien of archeologische sporen aanwezig zijn en goed bewaard zijn. Al deze gegevens verschaffen inzicht in wat zich vroeger op de locatie bevond en of het de moeite loont om een opgraving te starten. In het geval van de Vrijheid toonden vroegere opgravingen aan dat er heel wat archeologische sporen in de ondergrond bewaard zijn, voornamelijk uit de middeleeuwen.

Waarom graven jullie specifiek op deze plaats op?

Archeologisch onderzoek is onderhevig aan decretaal vastgelegde wetgeving, dus mogen archeologen niet om het even waar hun schop in de grond steken. Enkel waar de bodem verstoord wordt door werkzaamheden, kan onder bepaalde voorwaarden archeologisch onderzoek plaatsvinden. In het geval van De Vrijheid wil het stadsbestuur dit stuk van de stad herwaarderen. Hierbij hoort de heraanleg van een deel van het openbaar domein en de vernieuwing van de nutsleidingen. Dit heeft uiteraard een impact op de ondergrond. Het archeologisch onderzoek vindt derhalve enkel plaats binnen het tracé van de werken, m.a.w. de zones die sowieso zullen vergraven worden.

Hoe weten jullie hoe oud iets is?

Voor de opgravingen in De Vrijheid van Ronse zijn in het stadsarchief middeleeuwse en recentere kaarten voorhanden. Wanneer muurrestanten opduiken in het opgravingsput, zijn die soms aan deze historische kaarten te linken. Ook de opgegraven vondsten leveren een goede indicatie voor een datering. Zo zijn bijvoorbeeld bepaalde types aardewerk specifiek middeleeuws en andere dan weer Romeins. Definitieve dateringen worden voornamelijk na het terreinwerk bekomen, na het reinigen en bestuderen van het aardewerk, de munten… maar ook door het uitvoeren van onderzoek op de jaarringen van houten palen en radiokoolstofdateringen van organische vondsten. Al deze vondsten geven een datering van de archeologische sporen waarin ze gevonden werden.

Wat gebeurt er met deze vondsten?

Alle vondsten worden verder behandeld in het erkend depot van SOLVA in Erembodegem (Aalst) en blijven daar in de juiste klimatologische omstandigheden bewaard. Zo worden bijvoorbeeld de scherven er gewassen, geregistreerd in een databank, en indien mogelijk gepuzzeld tot volledige potten. De vondsten zijn op aanvraag raadpleegbaar en staan ter beschikking voor tentoonstellingen en verder wetenschappelijk onderzoek.

Wie is de eigenaar van deze vondsten?

De archeologische opgravingen gebeuren in opdracht en op het grondgebied van Stad Ronse. Alle vondsten zijn eigendom van de stad.

Hoe lang duren de archeologische werken?

Voor de precieze planning raadpleeg je best de fasering van de werken.

Lopen de werken vertraging op door de archeologische opgravingen?

Neen, alle betrokken partners hebben in overleg geijverd voor een vlotte regeling met zo weinig mogelijk hinder voor verkeer, omwonenden en handelaars. Daarom voert het archeologisch team haar onderzoek uit voorafgaand aan en gelijktijdig met de werken. Beide werken sluiten nauw op elkaar aan teneinde overlast te beperken. De werken ondervinden dus geen vertraging door het archeologisch onderzoek.